![]() |
Het wonder van het narrenkleed
is, dat alleen een ander weet
dat men het draagt.
Zelf ziet men het niet
tot eigen vreugde en elks verdriet
In woorden was hij wijs genoeg
toch trekt hij hier de ploeg
Verwaand, getooid met mooie kleren en toch
zo dom als zwijn en gans tezamen aan de trog
Die wijsheid aanhoort en betracht
die wordt bewaard voor zottendracht
Die alles uitstelt zijn leven lang
verheugt zich reeds op ravenzang
"Niets heeft die domme gans
hier bijgeleerd",
bepeinst de zot,
diep in zichzelf gekeerd,
"want bij het komen en het gaan,
hoor ik steeds dezelfde klanken aan."
Dwaas en te ezel kwam
een jonge held
en trouwde een oudje om haar geld
Toen 't geld niet bij hem blijven wou,
had hij nog steeds een oude vrouw
Op harp en lier blies narrenpak,
nu blaast hij op de doedelzak
Vol ijver blust hij bij 'n ander 't vuur
en laat rustig branden
zijn eigen schuur
Dwaas-jong, dwaas-oud, dwaas-half,
elk danst hier om het gouden kalf
De boer wordt toch
ondanks zijn ijver,
levend gevild
door ridder en schrijver
De dwaas verdeed de hem toebedeelde tijd,
wachtende op erfenissen
die nimmer kwamen
Thans schudt de dood de vruchten van de boom,
maar niet voor hem ... Wel voor zijn erfgename
Vergeefs is het reven van een zeil
als het scheepje is gebroken
Geschiedt is dan het onheil
het noodlot heeft gesproken
Als Petrus opent de hemelpoort
vaart 't schip der dwazen
nog ongestoord
Sebastian Brant