180px-narrenschiff_000
Das Narrenschiff

 

 

 

 

Het wonder van het narrenkleed
is, dat alleen een ander weet
dat men het draagt.
Zelf ziet men het niet
tot eigen vreugde en elks verdriet

In woorden was hij wijs genoeg
toch trekt hij hier de ploeg
Verwaand, getooid  met mooie kleren en toch
zo dom als zwijn en gans tezamen aan de trog

Die wijsheid aanhoort en betracht
die wordt bewaard voor zottendracht

Die alles uitstelt zijn leven lang
verheugt zich reeds op ravenzang

"Niets heeft die domme gans
hier bijgeleerd",
bepeinst de zot,
diep in zichzelf gekeerd,
"want bij het komen en het gaan,
hoor ik steeds dezelfde klanken aan."

Dwaas en te ezel kwam
een jonge held
en trouwde een oudje om haar geld
Toen 't geld niet bij hem blijven wou,
had hij nog steeds een oude vrouw

Op harp en lier blies narrenpak,
nu blaast hij op de doedelzak
Vol ijver blust hij bij 'n ander 't vuur
en laat rustig branden
 zijn eigen schuur

Dwaas-jong, dwaas-oud, dwaas-half,
elk danst hier om het gouden kalf

De boer wordt toch
ondanks zijn ijver,

levend gevild
door ridder en schrijver

De dwaas verdeed de hem toebedeelde tijd,
wachtende op erfenissen
die nimmer kwamen
Thans schudt de dood de vruchten van de boom,

maar niet voor hem  ... Wel voor zijn erfgename

Vergeefs is het reven van een zeil
als het scheepje is gebroken
Geschiedt is dan het onheil
het noodlot heeft gesproken

Als Petrus opent de hemelpoort
vaart 't schip der dwazen
nog ongestoord

 

Sebastian Brant

 A.D. 1494