Machiavellilezing 2007 door Ivo van Hove, directeur van Toneelgroep Amsterdam. Voorgedragen op 29 januari 2008.
Hieruit 2 alinea's
Het belang van de kunst voor de samenleving staat voortdurend ter discussie. Het spreekwoord ‘uit wiens hand men eet diens woord men spreekt’ gaat namelijk in het geheel niet op voor de kunst. Enerzijds geeft de maatschappij via subsidies geld aan kunstenaars om hun werk goed te doen, anderzijds uiten kunstenaars kritiek op de maatschappij, haar gezagdragers en burgers. Het is een paradoxale situatie die vaak tot misverstanden en conflicten leidt. Censuur is uiteindelijk de ultieme bestraffing voor de kunstenaar die de grenzen overschrijdt. Nederland huldigt het heilige principe dat door Thorbecke in de grondwet van 1848 kernachtig is weergegeven: "'Kunst is geene zaak van de regering. De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst”. Wat is dan de behoefte van de politiek aan kunstenaars die tegen de stroom in schilderen, schrijven of theater maken en de angst voor diezelfde kunstenaars. Voor Plato was de kunst een schijnafbeelding van een schijnwerkelijkheid en dus nutteloos. In onze tijd wordt kunst vaak onschadelijk gemaakt door te stellen dat ze niet maatschappelijk relevant is. De relevantie van kunst wordt dan meestal afgemeten aan cijfers, inkomsten. De kunst wordt vervolgens als elitair bestempeld, entertainment voor de happy few. Maar in de massamedia kunnen we elke dag zien wat de gevolgen zijn van het monopolie van de publiekscijfers. Elke dag zien we op alle televisiekanalen, overal ter wereld, op hetzelfde uur dezelfde programma’s. Geef het volk wat het wil lijkt het devies - tegenover de maatschappelijke nutteloosheid van kunst.
Het is de kracht en opdracht van de kunstenaar aan de achterkant van de dingen te gaan kijken. Harold Pinter zei hierover het volgende bij de aanvaarding van de Nobelprijs in 2005: ”Als we in de spiegel kijken, denken we dat het beeld voor onze ogen accuraat is. Maar beweeg een millimeter en het beeld verandert. We kijken eigenlijk naar een nooit stoppende variatie van reflecties. Maar soms moet een schrijver die spiegel aan stukken slaan, omdat de waarheid ons van de andere kant van de spiegel aankijkt. Ik geloof dat de echte waarheid vertellen over onze levens en onze samenleving een cruciale taak is die elke burger op zich zou moeten nemen. Het is zelfs verplicht. Als die vastberadenheid niet vervat zit in onze politieke visie dan schiet er niet veel hoop meer over om te herstellen van wat we bijna kwijt zijn: onze menselijke waardigheid.” Ik lees in Pinters woorden een missie voor alle kunstenaars en voor de kunst in het algemeen, achter de dingen te kijken, achter de spiegel te kijken of zelfs de spiegel aan stukken slaan. Is dat niet wat we van de kunst verwachten in onze samenleving. Het is een groot misverstand de kunst maatschappelijk in te zetten, kunst als maatschappelijk werk. In Nederland is er al geruime tijd een hang naar verambtelijking van de kunst. Niet voor niets heet het desbetreffende ministerie dan ook Ministerie van Cultuur, niet van Kunst. Dat zet de deur al jaren open voor allerlei maatschappelijke opdrachten die de relevantie van de kunst moeten legitimeren. In het begin van de jaren 90 moest dat door goed ondernemerschap, later door het aanspreken van nieuwe doelgroepen, dan weer was educatie speerpunt van het cultuurbeleid. Ik wil niet verkeerd begrepen worden: ik vind dat de kunsten, en laat mij vanuit mijn vakgebied hier voornamelijk over podiumkunsten spreken, wel degelijk een grote professionaliseringsslag te maken hebben. Wel degelijk ondersteun ik het grote belang van kwaliteitsvolle educatieve projecten, vanzelfsprekend wil elke theatermaker voor volle zalen spelen. Maar een teken des tijds is dat door het accent telkens weer op dit soort speerpunten te leggen de legitimiteit van de kunst altijd weer ter discussie staat want de kunst op zichzelf blijkt geen voldoende maatschappelijke relevantie te hebben. In Nederland wordt kunst tot een instrument herleidt, in een kooi gestopt, het wild dier wordt getemd.