middeleeuwse-kleding-b1472
Middeleeuwen

 

uit: mediatheek.thinkquest.nl

Hygiëne en gezondheid

 

In de middeleeuwen nam men het niet zo nauw met de hygiëne. Men maakten zich niet zo druk over vuil dat er was en vieze luchtjes die daar hingen. De w.c. was een soort gat waar je op moest gaan zitten. Dit gat kwam uit op de gracht of een beerput (dit is een put waarin alle menselijke uitwerpselen opgevangen werden.) Zo rond de 15e eeuw werd dit gelukkig wel wat luxer, want echt fris en hygiënisch was het niet. Als wc-papier gebruikte men repen linnen en de vloer werd bestrooid met lekker geurende kruiden. Een heet bad was alleen voor de allerrijksten. Dit kwam omdat men natuurlijk moeilijk aan warm water kon komen. Daar ging heel wat aan vooraf. Hout moest het water verwarmen. Linnen werd gebruikt om de binnen kant van het bad mee te bekleden. Om het water een lekker geurtje te geven deed men badolie in het water. Voor dit alles moest geld betaald worden. Het geld dat betaald moest worden was evenveel als het bedrag waar een arbeider een hele week voor moest werken. In die tijd zaten overal ratten, in de kelder en keuken bij het eten en in de stallen. Deze ratten aten van het eten en verspreiden op deze manier allerlei ziekten. De vlooien in hun huid verspreidden onder andere de verschrikkelijke ziekte; de pest. Deze werd ook wel de zwarte dood genoemd. De zwarte dood heerste heel erg tussen 1347 en 1351. In Europa en Azië stierven door deze ziekten wel zo'n 25 miljoen mensen. Dit kwam natuurlijk omdat men nog niet wist dat deze ratten de ziekte verspreidden en dat men niet echt een schoon leven leidden.

 

De mode

 

In de middeleeuwen vond men kleding heel belangrijk. Vooral de adel. De rijken kleedden zich heel netjes en mooi omdat men aan iedereen wilde laten zien hoe rijk en mooi men was. De kleuren van de kleren die men droeg hadden meestal ook een bepaalde betekenis. Blauw betekende dat men verliefd was, geel stond voor boosheid en grijs stond voor verdriet. Vrouwen droegen sierlijke jurken en stopten hun haar weg onder hoofddeksels. Een van die hoofddeksels was de punthoed. Deze was soms wel een meter lang. Aan de binnenkant zat een ijzeren kooi als steun. De mannen droegen meestal soort maillots met daarover een soort groot kleed met mouwen eraan. De schoenen die men toen droeg, als man, waren vrij puntig en gemaakt van stof. Soms werden onder die schoenen wel eens houten zolen gebonden. Vooral als de straten buiten nat en modderig waren. In die tijd had men geen kledingwinkels waar je kant en klaar je kleren kon kopen zoals wij dat nu hebben. Wilde kleren kopen dan moest je naar kleermakers gaan. Daar kon je de stof uitzoeken en dat werden je maten opgenomen. Na een patroon te hebben ontworpen werden de stukken stof in elkaar gezet. Het gewone volk had geen geld om zich zo netjes te kleden. Zij droegen eenvoudige kleren; tunieken, hemden, wollen leggings, mantels, strooien hoeden, kappen en petten.