Tabel van beeldhouwkunst naar periode en stijl
| Stroming | Periode | Typering | Voorbeeld |
| Prehistorie | tot circa 660 v.Chr. | Kunst voor sjamanistische handelingen, ter decoratie van gebruiksvoorwerpen, kleding en paardentuigen en als bijgiften in een graven van belangrijke personen. Scythen, Kelten, Germanen | Venusbeeldjes - Megalieten - Hunebedden |
| Egyptisch | 3000 v.Chr. | Kunst in dienst van goden en doden. Tempelbeelden (koningsbeelden, sfinxen in natuursteen) en grafsculpturen. Minoïsch beschaving: figuurtjes in faïence, brons en ivoor (slangengodinnen, stier, dubbele offerbijl).
Myceense beschaving: ivoor en gebakken aarde. |
Sfinx– Knossos |
| Grieks | 600 v.Chr. – 0 | De geïdealiseerde mens. Aanvankelijk strak, symmetrisch en bewegingloos. Nadien naast de naakte atleet ook de geklede gestalte, ook in brons gegoten of in terracotta.
Hellenisme: idealisme evolueert naar naturalisme. Reliëfbeeldhouwkunst: voorstellingen van processies, gevechtstaferelen en godenbijeenkomsten in fries. |
Nikè van Samothrake – Kariatiden – Athene Parthenos – Aphrodite van Cnidus |
| Romeins | 270 v.Chr. – 400 n. Chr. | Het realistische portret en het historisch reliëf.
Portretbeeld in functie tot de gemeenschap, d.w.z. met machtssymbolen, uniform, toga. Vaak in een nis geaccentueerd Historisch reliëf op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten of sarcofagen: historische en/of politieke werkelijkheid. |
Kolos van Nerva – Zuil van Trajanus – Marcus Aurelius |
| Byzantijns | 600 - 800 | Aansluiting op het laathellenisme. De mozaïeken vervangen de tweedimensionale beeldhouwkunst. | Ivoorreliëfs – Barberini-diptiek – Triptiek van Harbaville |
| Karolingisch | 750 – 960 | Romeinse en Byzantijnse voorbeelden worden aan de Germaanse ambachtelijkheid verbonden, waarbij men aldus de Karolingische renaissance beleeft: religieuze voorstellingen in edelsmeedwerk, ivoorsnijwerk en bronsgietwerk. | Paleiskapel Aken |
| Ottoons | 700 – 1000 | Bij de Ottoonse renaissance, onder Otto de Grote, worden aan de Karolingische bouwwijze Byzantijnse arcaden en kapitelen toegevoegd. | Borobudur |
| Romaans | 800 – 1200 | Rondbogenstijl ontwikkeld uit de Romeinse bouwwijze. | Cluny – Doornik – Maastricht – Worms |
| Gotisch | 1240 – 1400 | Spitsbogenstijl, genoemd naar Giorgio Vasari die alle niet-Romeinse kunst "barbaars" of "van de Goten" noemde.
Vlamgotiek: laatgotiek met overdadige versiering. |
Kathedraal van Reims – Kathedraal van Chartres – Claus Sluter |
| Renaissance | 1400 – 1600 | Onder impuls van het Humanisme, teruggrijpen naar de klassieke elementen van de Grieks-Romeinse kunst. | Donatello– Della Robbia – Michelangelo Buonarotti- Leonardo da Vinci - |
| Maniërisme | 1520 - 1590 | Toevoegen in de laat-renaissance van overdreven emotionele elementen aan de ratio van de voorafgaande hoog-renaissance, sinds 1520. Dit leidt tot verhoogd sensualisme. | Giambologna – Benvenuto Cellini - Adriaen de Vries |
| Barok | 1600 – 1775 | Kunstuiting van de katholieke Contrareformatie, met verheerlijking van het koninklijke absolutisme.
Aanbrengen van overdadige versieringen, in beelden vol beweging, in breedsprakige gebaren, in houding (schroefhoudingen) en drapering. |
Gian Lorenzo Bernini - R. Le Lorrain- E. Bouchardon – Frans Duquesnoy – Artus Quellinus - Rombout Verhulst |
| Classicisme | 1775 - 1840 | Afwijzen van Barok- en Rococo-elementen en teruggrijpen naar "rust" en "stilte" als essentie van het "schone". | R. Thorwaldsen – Antonio Canova– J.A. Houdon |
| Romantiek | 1825 – 1870 | Rede en klaarheid (Classicisme moeten plaats maken voor emotionele waarden (Jean-Jacques Rousseau). In Frankrijk: hartstochtelijke heldenverering en bijna revolutionaire vrijheidsdrang. | Fr. Rude – A.L. Barye – J.B. Carpeaux |
| Sociaal Realisme | 1860 – 1900 | Accentueren van sociale elementen in houdingen en gebaren. | C. Meunier – J. Lambeaux |
| Impressionisme | 1885 – 1920 | Poging momentindruk in beeld te brengen door oa. lijnen technisch te verdoezelen. | Auguste Rodin – A. Maillol – Rik Wouters – Camille Claudel |
| Expressionisme | 1910 – 1940 | Uitdrukken van individuele emotie door accentueren van houdingen. | E. Barlach – Mari Andriessen – O. Zadkine – Jozef Cantré – Käthe Kollwitz |
| Kubisme | 1920 – 1940 | De dingen in de natuur zijn volgens geometrische vormen opgebouwd. | Archipenko – Raymond Ducham-Villon |
| Abstracte Kunst | 1920 | Vlakken en lijnen zwakken de directe figuratie af en trachten het abstracte begrip te suggereren. | J. Lipchitz – C. Brancusi – Jean Arp – Olivier Strebelle |
| Kinetisch kunst | 1930 | Beeld of beeldgedeelten worden in beweging gehouden door externe factoren. | A. Calder– J. Tinguely |
| Surrealisme | 1930 | Samenbrengen van elementen uit de puur realistische figuratie tot een imaginair irreëel gegeven. | Henry Moore – A. Giacometti – René Iché – Roel D'Haese – Rik Poot – Reinhoud D'Haese |
| Pop Art | 1960 | Popular Art. De trivialiteit van de consumptiemaatschappij wordt geaccentueerd | Andy Warhol – Niki de Saint Phalle – David Mach |
| Hyperrealisme | 1960 | Realisme weergegeven met fotografische nauwkeurigheid, veelal in polyester. | Jacques Verduyn - Duane Hanson |
| Nouveau Réalisme | 1960 | Afwijzing van het conformisme bij de abstracte kunst. Poging zich te integreren in de technologische realiteit van de hedendaagse wereld. | César - Arman |
| Performance | 1960 | Theatraal en grensverleggend; zich bekommerend om de ruimte en zich bezinnend op de menselijke conditie. 'Zingende sculturen' en Sociale Plastiek. | Antony Gormley – Jan Fabre – Anish Kapoor – Thierry de Cordir - Gilbert en George – Joseph Beuys |
| Assemblage-kunst | 1970 | Samenbrengen van hetrogene, vaak afgedankte gebruiksvoorwerpen, of gedeelten ervan, tot nieuw origineel beeld. | Christo - Vic Gentils – Camiel Van Breedam – Panamarenko– Leo Copers - Henck van Dijck |
| Plasticisme | 1970 | Het puur plastische primeert | Fernando Botero |
